Wanneer een vriendelijk verzoek niet neutraal is
- Rebekka Rogiest

- 24 jun
- 6 minuten om te lezen
Bijgewerkt op: 26 jun

De voorbije dagen ging een video van mij viraal. Wat begon als een praktische schoolmail tijdens de hitte (de vraag om kinderen thuis te houden als dat mogelijk was) raakte duidelijk een veel grotere snaar. Niet omdat ouders niet begrijpen dat extreme hitte moeilijk is en ook niet omdat scholen hun best niet doen. Maar omdat zo’n boodschap iets blootlegt waar we maatschappelijk veel minder over spreken.
Namelijk: wat gebeurt er wanneer een collectief probleem opnieuw bij gezinnen terechtkomt?
Wie verplaatst zijn werk? Wie regelt opvang? Wie schuift met afspraken? Wie denkt vooruit? Wie voelt zich verantwoordelijk? En misschien nog belangrijker: wie voelt zich schuldig wanneer het niet lukt?
Dat is voor mij de kern. Want een vriendelijk verzoek van een school, overheid of andere instantie is psychisch zelden neutraal. Woorden zoals: “Als het kan…” lijken vrijheid te geven. Maar vaak doen ze ook iets anders. Ze verschuiven verantwoordelijkheid. Van structuur naar individu. Van beleid naar burger.
Van collectief naar privé. En precies daar ontstaat spanning. Vanuit psychoanalytisch perspectief is dat niet onbelangrijk. Jacques Lacan beschreef hoe het subject zich altijd verhoudt tot wat hij “de Ander” noemt: de plaats van wet, norm, taal en verwachting. Een school of overheid is niet zomaar een praktische instantie. Het is ook een symbolische plaats. En wat van daaruit gezegd wordt, doet iets. Niet alleen praktisch. Ook psychisch.
Wanneer zo’n instituut zegt: “Als het kan, hou je kind thuis.” dan horen veel ouders niet alleen een praktische mogelijkheid. Ze horen ook een moreel appèl. Voor moeders is dat vaak nog sterker. Niet omdat zorg “van nature” hun terrein zou zijn. Maar omdat moederschap cultureel nog altijd zwaar beladen is met verwachtingen. Beschikbaar zijn, flexibel zijn, anticiperen, dragen. En liefst zonder klagen.
Precies daar wordt het interessant. Want schuld ontstaat niet altijd door dwang. Soms ontstaat schuld precies daar waar je formeel vrij bent.
Lacan formuleerde dat scherp:
Het enige waaraan een mens werkelijk schuldig kan zijn, is toegeven op zijn verlangen.
Met andere woorden: schuld ontstaat vaak op het punt waar je jezelf verlaat om tegemoet te komen aan wat je denkt dat van je verwacht wordt. En dat zie je niet alleen hier. Dat mechanisme zit overal.
Bij de arts die zegt:
“Borstvoeding is niet verplicht, maar wel het beste.”
Bij de werkgever die zegt:
“Voel je vrij om offline te gaan als je rust nodig hebt.”
Bij familie die zegt:
“Je moet mama niet opvangen hoor, maar ze zou het zo fijn vinden.”
Bij een partner die zegt:
“Je hoeft geen seks te hebben als je niet wil.”
Formeel vrijheid. Psychisch druk. En precies dat is vandaag misschien een van de meest subtiele manieren waarop verantwoordelijkheid verschuift. Niet via bevel. Maar via keuze.
Jacques-Alain Miller beschrijft hoe het moderne superego niet langer vooral zegt: Gij zult.
Maar: Gij moet genieten.
Niet alleen zorgen. Maar er ook gelukkig in zijn.
Niet alleen dragen. Maar er dankbaar voor zijn.
Misschien verklaart dat waarom onder mijn video zo vaak dezelfde reacties terugkwamen:
Geniet ervan.
Je hebt er zelf voor gekozen.
Je kinderen zijn toch geen last?
Dat zijn geen argumenten. Dat zijn morele correcties. En misschien is precies dát het meest interessante van alles. Niet de hitte. Niet de school. Maar hoe snel een structurele kwestie verandert in een individuele opdracht. En hoe snel die opdracht vervolgens moreel beoordeeld wordt.
Voor mij gaat dit dus niet over één hittegolf. Het gaat over iets veel groters. Over hoe zorg vandaag georganiseerd wordt. Hoe verantwoordelijkheid verdeeld wordt. En hoe taal daarin nooit onschuldig is.
Want soms is een vriendelijk verzoek niet gewoon vriendelijk.
Soms is het een bevel dat geen bevel wil zijn.
Bronnen
Le Deuxième SexeBeauvoir, S. de. (1949). Le deuxième sexe. Paris: Gallimard.
The Bonds of LoveBenjamin, J. (1988). The bonds of love: Psychoanalysis, feminism, and the problem of domination. New York: Pantheon Books.
De kunst van het ongelukkig zijn, De Wachter, D. (2019). De kunst van het ongelukkig zijn. Tielt: Lannoo.
Wat we niet willen weten, Dulsster, D. (2025). Wat we niet willen weten. Tielt: Lannoo.
The Second Shift, Hochschild, A. R., & Machung, A. (1989). The second shift: Working families and the revolution at home. New York: Viking.
The Ethics of Psychoanalysis, Lacan, J. (1992). The seminar of Jacques Lacan, Book VII: The ethics of psychoanalysis, 1959–1960 (D. Porter, Trans.). New York: W.W. Norton & Company.
Écrits, Lacan, J. (2006). Écrits (B. Fink, Trans.). New York: W.W. Norton & Company.
Liefde in tijden van eenzaamheid, Verhaeghe, P. (1998). Liefde in tijden van eenzaamheid: Drie verhandelingen over drift en verlangen. Tielt: Lannoo.
The subject of psychosis, Vanheule, S. (2011). The subject of psychosis: A Lacanian perspective. London: Palgrave Macmillan.
FAQ
“Maar de school sluit toch niet?”
Klopt. En dat was ook nooit mijn punt. Mijn punt is niet dat scholen hun verantwoordelijkheid niet opnemen. Mijn punt is dat er, ondanks opvang, een expliciet appèl werd gedaan op gezinnen om mee de druk op te vangen. En precies daar wordt zichtbaar hoe snel een collectieve kwestie opnieuw in de privésfeer belandt.
"Maar het was toch maar een vriendelijke vraag?”
Precies. En dat is net het punt. Mijn kritiek gaat niet over de vriendelijkheid van de toon.
Ze gaat over het psychische effect van de vorm. Want een vraag van een instituut is nooit helemaal neutraal.
Een school, een stad of een overheid spreekt niet vanuit dezelfde positie als een buurvrouw of vriend. Zo’n vraag draagt altijd ook iets van norm, verwachting en verantwoordelijkheid in zich.
Wanneer er gezegd wordt: “Als het kan, hou je kind thuis” dan horen veel ouders niet alleen:
je bent vrij om te kiezen. Ze horen ook: als je het kan, zou je het misschien moeten doen.
En precies daar ontstaat spanning. Niet door dwang maar door wat zo’n boodschap psychisch in gang zet: schuld, twijfel, ,zelfbevraging. Dat is geen verwijt aan scholen of beleid. Dat is gewoon hoe taal werkt. En hoe macht vandaag vaak niet meer via bevel werkt, maar via keuze.
“Maar school is toch geen opvang?”
Nee. School is in de eerste plaats onderwijs. Dat betwist ik nergens. Maar onderwijs functioneert in onze samenleving óók als maatschappelijke zorgstructuur. Niet omdat leerkrachten babysitters zijn. Maar omdat het schoolritme mee mogelijk maakt dat arbeid, zorg en inkomen georganiseerd worden. Dat is geen ideologische uitspraak. Dat is een sociologische realiteit.
“Maar iedereen moet toch soms improviseren?”
Absoluut. Als mijn kind ziek is, organiseer ik mij ook. Daar gaat het niet over. Het verschil is dat ziekte onvoorspelbaar is. Deze hittegolf was dat niet. Mijn vraag gaat over voorbereiding. Waarom improviseren we bij iets wat al dagen aangekondigd was?
“Je viseert de school / leerkrachten.”
Integendeel. Mijn kritiek richt zich niet op scholen. Ik zie net hoe hard zij dragen. Leerkrachten, directies en ondersteunend personeel zitten mee in hetzelfde structurele tekort. Zij vangen op.
Zij dragen. Zij werken in moeilijke omstandigheden. Mijn punt is dat ook zij structureel in de steek gelaten worden.
“Uw kinderen zijn toch geen last?”
Mijn kinderen zijn geen last. Mijn kinderen zijn mijn kinderen. Maar zorg dragen voor kinderen vraagt organisatie, tijd, arbeid en mentale ruimte. Dat benoemen is niet hetzelfde als klagen over het bestaan van je kinderen. Dat onderscheid is cruciaal.
“Had dan geen kinderen genomen.”
Dit is geen argument. Het is een morele neutralisatie. Het verschuift het gesprek van structuur naar moraal. De vraag is niet of ouders verantwoordelijk zijn voor hun kinderen. Dat zijn ze uiteraard. De vraag is: hoe organiseren we als samenleving zorg in omstandigheden die voorspelbaar en recurrent zijn? Dat is een andere vraag.
“Niet alle vrouwen dragen dit. Niet alle mannen doen te weinig.”
Uiteraard niet. Gelukkig niet! Ik spreek over patronen, niet over absolute waarheden. Een structureel patroon benoemen is niet hetzelfde als individuele uitzonderingen ontkennen. Dat onderscheid is fundamenteel.
“Waarom maak je dit zo politiek?”
Omdat zorg altijd politiek is. Zodra de organisatie van zorg afhankelijk wordt van infrastructuur, arbeid, tijd, inkomen en beleid, is dat per definitie politiek. Dat maakt het niet ideologisch. Dat maakt het maatschappelijk.
“Waarom raakt dit zoveel mensen zo hard?”
Omdat dit niet alleen over hitte gaat. Het raakt aan diepere normen: wat is een goede moeder? Wie draagt? Wie klaagt? Wie mag grenzen aangeven? En wie voelt zich schuldig wanneer dat botst? Dat zijn geen kleine vragen. Dat zijn fundamentele maatschappelijke vragen.



Opmerkingen